Illusoire Superioriteit



09 mei 2018

Kandidaten proberen zich tijdens een sollicitatiegesprek van hun beste kant te laten zien. Logisch. Maar waar verwordt een beetje bluf tot onzinnige arrogantie? En wat kun je daar als recruiter mee?

“Ik ben toch wel een van de sterkere krachten van het team”, antwoordde Liesbeth op de vraag wat voor positie ze heeft bij haar huidige werkgever. “Als er zaken moeten worden opgepakt ben ik er als de kippen bij en daarnaast krijg ik eigenlijk ook altijd de lastiger projecten in mijn schoenen geschoven.” Vervolgens benadrukte ze ook nog dat ze veel initiatief toont en door de bank genomen toch wel een van de populairste medewerkers is.

Mijn gesprek met kandidate Liesbeth is na de kennismaking en een introductie van de rol waarop ze heeft gesolliciteerd beland op het punt waarop ze iets moet vertellen over haar huidige werk en hoe de samenwerking met haar huidige collega’s loopt. Ze vertelt dat ze werkt in een redelijk groot team. De manager verdeelt de verschillende opdrachten over de groepsleden, afhankelijk van hun specialisatie, beschikbaarheid en voorkeuren.

Liesbeth lijkt er zelf heilig van overtuigd dat ze gemiddeld gezien net wat assertiever is dan haar collega’s. Ook is ze ervan doordrongen iets populairder en initiatiefrijker te zijn dan de rest. Bovendien werkt ze ook nog eens harder. En beter.

Als mens zijn we voortdurend bezig met ‘sociale vergelijking’: we kijken de hele tijd hoe onze eigen kenmerken zich verhouden tot die van anderen. Dat doen we zelfs zonder dat die anderen aanwezig zijn. En dan vaak ook nog eens op volkomen ontestbare relatieve zaken. Hoe zou Liesbeth moeten aantonen dat ze aardiger is dan anderen? Bestaat er een gemiddelde portie assertiviteit in een persoon? En heeft Liesbeth dat in cijfers paraat?

Dat we onszelf de hele tijd tegen anderen afzetten zorgt voor een continu subjectief beeld. In hoeverre een mens überhaupt objectief kan zijn is een discussie die elders gevoerd moet worden, maar zoals de 19de-eeuwse existentialistische filosoof Søren Kierkegaard in zijn werk al naar voren liet komen: subjectiviteit is de hoogste vorm van waarheid. En veel subjectiever dan het relatieve zal het niet worden.

In een Brits onderzoek gaf 93% van de automobilisten aan zichzelf als een bovengemiddelde bestuurder te zien. In een Frans onderzoek gaven mannen massaal aan zichzelf te zien als een bovengemiddelde minnaar. Mensen geven vaak in gesprekken aan net wat meer te sporten dan anderen, net wat meer te kunnen drinken, net wat gezonder te eten en net wat meer verstand van voetbal te hebben. Iedereen beschouwt zichzelf als een uniek uitblinkend persoon, in elk geval net wat unieker en uitblinkender dan alle anderen, terwijl we die conclusie eigenlijk helemaal niet kunnen rechtvaardigen.

We noemen dit fenomeen in de psychologie ‘illusoire superioriteit’ of het ‘above average-effect’: een situatie waarin een persoon de eigen vaardigheden, kwaliteiten en persoonlijkheidskenmerken overschat ten opzichte van die van anderen. Onderzoek van Van Yperen & Buunk uit 1991 benoemde dit fenomeen voor het eerst. In hun onderzoek kregen getrouwde stellen een uitgebreide enquête over ‘tevredenheid’ en ‘balans’ in hun huwelijk en ook hoe zij hun eigen huwelijk zouden kwalificeren ten opzichte van dat van anderen. Het bleek dat de respondenten hun eigen huwelijk als meer “in balans” ervoeren dan dat van anderen.

Uit meerdere onderzoeken komt naar voren dat illusoire superioriteit niet alleen in relationele sferen voorkomt, maar bijvoorbeeld ook op het gebied van persoonlijkheden, competenties en vaardigheden. Er zijn verschillende theorieën over wat hieraan ten grondslag kan liggen.

Sommige wetenschappers claimen dat we de zelfoverschatting vooral gebruiken om positief over ons eigen kunnen te zijn en dat het dient als een soort automatisch controle- of verdedigingsmechanisme bij een bedreiging voor je eigenwaarde. Andere wetenschappers beweren dat illusoire superioriteit van binnenuit komt en te maken heeft met je egocentrisme. Volgens hen krijgt het de overhand op momenten dat je zelffocus hoog is. Daardoor ben je niet in staat om de perspectieven van anderen te zien.

In het geval van Liesbeth is het wellicht logisch dat ze aangeeft dat ze in sommige zaken uitblinkt. Ze is immers op sollicitatiegesprek. Ze wil zich op een zo positief mogelijke manier aan mij voorstellen. Ook is haar hoge zelffocus logisch: het gesprek gaat immers ook grotendeels over haar. Daarnaast is een sollicitatiegesprek wellicht ook een wat ongemakkelijke situatie, wat het automatische controlemechanisme activeert.

Als recruiter is het belangrijk om in zulke gevallen toch dóór te vragen. Waarom denk je precies dat je een van de sterkste krachten van je team bent? Geef eens wat voorbeelden van situaties waarin jij vond een goede ‘samenwerker’ te zijn? Wat bedoel je precies met vriendelijker zijn? En hoe komt dat bij jou tot uiting? Als je iemand niet kent is illusoire superioriteit vaak lastig te tackelen, maar probeer in elk geval niet alle informatie klakkeloos voor waar aan te nemen. Je wilt immers zelf toch de beste recruiter ooit zijn?

sjoerd.png#asset:2485

Sjoerd Zoeteman (zoeteman@inquest.nl) is een cognitief psycholoog die actief is in de wereld van werving en selectie. Hij houdt zich bezig met selectie en assessment van kandidaten en met de ontwikkeling van assessments. In deze rubriek tracht hij herkenbare situaties in recruitmentland aan de hand van psychologische begrippen en cognitief psychologische redenatie te onderbouwen.


2018 © InQuest onderdeel van de Actos Groep - Algemene voorwaarden - Webmail - Privacy - Medewerkers
Webdesign & ontwikkeling door Webtraders